De verbale vragen bevatten:
Antoniemen.
De respondent moet kiezen welk woord uit een groep van vijf het tegenovergestelde betekend van een ander woord.
Afwijking van de categorie.
De respondent moet kiezen welk van de vijf woorden een andere betekenis heeft dan de anderen.
Paren van concepten.
De respondent moet kiezen of twee woorden dezelfde betekenis hebben, tegenovergestelde betekenis of geen van beide.
Verbale analogie.
De respondent moet kiezen of de onderliggende gedachte in de twee veronderstellingen hetzelfde zijn, het tegenovergestelde of geen van beide.
Logisch redeneren.
De respondent krijgt drie beweringen te zien en wordt gevraagd om te kiezen of de logica klopt, niet klopt of dat dit niet te zeggen is op basis van deze feiten.